Enkele weken geleden werd ik in de trein onderweg naar een camping in Drenthe aangesproken door een man van begin 20. Hij had net als ik een grote rugzak om en we stonden samen bij de deur te wachten om uit te stappen. Verwachtingsvol vroeg hij me of ik ook onderweg was naar de Harskamp. Ik zei dat ik onderweg was naar Drenthe en vroeg wat hij in de Harskamp ging doen. Hij zei dat hij samen met vele anderen de landing van parachutisten uit 1944 ging naspelen en voegde er trots aan toe dat hij een van de parachutisten mocht zijn. Of hij in real-life ook soldaat was vroeg ik hem. Bijna verontwaardigd schudde hij het hoofd. Nee, dat naspelen was genoeg, verder hoefde het voor hem niet te gaan. Maar ze speelden regelmatig en door het hele land.
Een aantal landgenoten reist dus het hele jaar het land door om oorlogstaferelen na te spelen ter gelegenheid van een herdenking. Ze spelen geschiedenis, ze zijn zichzelf niet. Maar ze zijn zichtbaar. Ze ruiken naar gras en grond en zweet. Ze bewegen zich in de ruimte, raken elkaars persoonlijke territorium en leven zich in in de rol van een vroegere ander. Ze verlenen een onbekende ander een tijdelijke identiteit, ze zijn tijdelijk een andere ik.
We bewegen ons voortdurend binnen verschillende systemen, groepen, fasen en omstandigheden. Tegenwoordig bewegen steeds meer mensen zich ook binnen cyberspace, de virtuele ruimte en tijd waarin ze anderen kunnen ontmoeten. Ze kunnen zich daar manifesteren als iemand anders, als iemand met een andere identiteit. Auteur Daniël Downes stelt in zijn boek
Interactive Realism: The Poetics of Cyberspace (ISBN 0773529209) daarover het volgende:
Cyberspace geeft de deelnemers een zeldzame vorm van vrijheid waarbinnen leden van de virtuele gemeenschap kunnen experimenteren met identiteit omdat er een zekere mate van anonimiteit gewaarborgd is. Maar (en daar is Downes heel resoluut in) alle theoriën die de rol van het lichaam bij het genereren van ervaring ontkennen, zijn onbevredigend.
In de visie van Downes is het lichaam de basis van onze kennis en ons taalvermogen die op veel manieren worden uitgedaagd door het gebruik van de technologische verlengstukken die we zelf vervaardigen.
Onlangs las ik een column over een podiumoptreden van een dichteres die eindigde met de vraag:
hoeveel ikken kan een mens verdragen? Ik moest denken aan een artikel dat ik las in het jaar 2000 waarin Milan Kundera werd geciteerd. Hij besprak in dat stukje de portretten die de schilder Bacon maakte:
“Ik kijk naar Bacons portretten en verbaas me erover dat ze ondanks de ‘vervorming’ allemaal op het model lijken. Maar hoe kan een afbeelding op een model lijken waarvan het een programmatische bewuste vervorming is? (…) Ik kan het ook anders zeggen: de portretten van Bacon zijn een onderzoek naar de grenzen van het ik. Hoe ver kan een vervorming gaan voordat een individu zichzelf niet meer is?”Een mens torst zijn geschiedenis met zich mee. Hij is onderweg en bouwt aan zijn
ik. En hij speelt een stukje verder tijdelijk weer andere
ikken. Hij gebruikt gereedschap om zijn
ik uit te breiden of juist te verhullen of af te stoten. Hij zoekt naar de grenzen van zijn mogelijkheden. Soms verwijdert een
ik zich ver van zijn menselijke waarden. Dan weer sluit hij zich erin op.
Hoeveel mens kan een
ik eigenlijk verdragen?
Labels: grenzen, identiteit, menselijke waarden
gepost door Henk van Gerven #
19.8.08