In Brabant staan veel kapelletjes langs ‘s-herenwegen. Veelal opgedragen aan Maria, vaak voorzien van allerlei handgeschreven bedes. Kleine gebouwtjes, geïntegreerd in het landschap, met een duidelijke functie, gebouwd door lokale bewoners, verbonden aan een herkenbare gebeurtenis of zelfs aan een wonder.
Hoe anders is een kathedraal. Opgedragen aan de grootheid van een god. Een soort van geaccepteerde megalomane onderneming die eeuwen in beslag nam. Een complex van politiek, machtsdenken, architectuur, techniek, arbeid en organisatie. En ook de uitkomst van de hang naar schoonheid, houvast en zingeving.
Ik zie in gedachten de kapellenbouwers. Zij zijn vaardig en handig in het bedenken en vormgeven en realiseren van een kapel. Het zijn geïnspireerde en betrokken vaklui. Met geld worden ze naar de stad gelokt en ze verwachten een belangrijke bijdrage te leveren aan dat grote bouwwerk. Ze worden gevraagd om in de kathedraal aan de slag te gaan met het bouwen van talloze kapelletjes aan de zijkanten van het gebouw. In de loop der jaren komen er nieuwe kerkbestuurders, nieuwe bouwmeesters, nieuwe technieken en nieuwe inzichten. Het werk wordt anders verdeeld. De kapelletjes worden onder de hoede van één opzichter gebracht. Kapellenbouwers mogen op den duur niet meer zelfstandig bouwen maar ze krijgen aanwijzingen en instructies over hoe en wat ze moeten aanpakken.
In zo’n groot project gaan dingen mis. Er vallen mensen van vermoeidheid van de steigers, er worden fouten gemaakt in de uitvoering, stukken muur die met noeste arbeid werden opgebouwd, worden afgebroken omdat de bouwmeester van boven een nieuwe inzicht heeft gekregen. Op den duur worden van verre nieuwe vaklui binnengehaald. Zij zijn beter opgeleid en jonger, ze kennen de nieuwe technieken. De kapellenbouwers krijgen tot taak de problemen op te lossen en op den duur doen ze niet anders meer dan reparaties uitvoeren, stenen sjouwen, bouwafval opruimen.
Op zondag zitten ze samen met andere gelovigen in een afgebouwd en afgeschermd gedeelte van de kathedraal. Met passie verkondigt de bisschop dat de bijdragen van allen, bijdragen voor god zijn. Er wordt niet gesjouwd en geploeterd voor zichzelf, maar voor het realiseren van een kathedrale basiliek ter meerdere eer en glorie van god de almachtige. Of men dat toch vooral in gedachten wil houden.
De kapellenbouwers gaan dag in dag uit van hun slaapplaats naar de kathedraal. Ze doen wat hen is opgedragen. Ze leren af om te denken omdat denken hen pijnlijk herinnert aan de tijd dat zij zelf scheppend bezig konden zijn. Om hem heen zien ze andere mannen met dezelfde blik in de ogen, en ze zien opzichters die de wind er onder houden. Kapelletjes bouwen en invoegen in de omgeving is overzichtelijk en eenvoudig. Het resultaat staat betrekkelijk snel en afgebakend in de ruimte. Hoe anders is het bouwen van een kathedraal. Daar moet je afstand nemen van de werkvloer om te overzien hoe de grote lijnen lopen, hoe het al dan niet past bij wat er is, maar ook bij wat jij wilt of bij wat van boven gewild wordt. De bouwers hebben maar beperkt zicht op de effecten van hun werk. Zij zien steeds kleine stukjes van het gebouw. En van de buitenkant ziet het er ook steeds weer anders uit dan van de binnenkant. Bouwen aan een kathedraal vraagt een ander soort leiderschap. Gebaseerd op het vertrouwen dat iedereen vooruit wil en zich wil inzetten en het prachtig vindt om zinvol bij te dragen. En op het risico dat mensen hun eigen bijdragen niet meer herkennen en afhaken. Het vraagt om een nieuw verbond tussen gelovigen en ambtsdragers. Het vraagt om vooruit kijken en tegelijk permanent om je heen kijken. Het vraagt om horizontaal leiderschap, om het doorbreken van vanzelfsprekendheden. Om een stap naar binnen, het stof in, met de vraag: wat zijn we hier nu eigenlijk aan het doen? En hoe komen we weer samen verder? Het vraagt om zicht op complexiteit en een gerichte zoektocht naar een werkbare eenvoud.
gepost door Henk van Gerven #
5.4.09